KerstTien kaarsjes

Er waren eens tien kaarsjes met vlammetjes zo fijn,
Ze wilden op het Kerstfeest graag goede lichtjes zijn.
Eén kaarsje viel het tegen altijd in vlam te staan,
Hij doofde snel zijn lichtje en is toen uitgegaan.
Er waren eens negen kaarsjes, een van de negen zei:
"Ik vind het hier niet prettig," en stapte uit de rij.
Er waren nog acht kaarsjes, het was een mooi gezicht,
Eén dacht: "Ik ben de beste," meteen verdween zijn licht.
Toen stonden er van de kaarsjes er zeven nog in vlam,
Maar een vergat te branden, hij wist niet hoe het kwam.
De vlammen van de kaarsjes, die brandden honderduit,
Eén zei: "Ik ben de mooiste," en ja, toen ging hij uit...
Nog maar vijf kaarsjes over, wat zullen we gaan doen?
Eén brandde veel te haastig, opeens verdween hij toen.
Er stonden nog vier kaarsjes, ze brandden feller op.
Eén werd uitgeblazen, hij lette niet goed op.
Van die drie laatste kaarsjes ging één met het donker mee,
Hij vond het niet meer nodig, toen stonden er nog twee.
Die beide kleine kaarsjes, wat waren ze alleen,
De kleinste ging van moeheid slapen, toen was er nog maar één.
Het laatste kleine kaarsje dat eenzaam achter bleef,
Dacht: "Als ik mijn lichtje eens aan een ander geef?"
Toen heeft dat ene kaarsje het feest nog net gered,
Het heeft alle andere kaarsjes opnieuw in vlam gezet.
Nu brandden alle kaarsjes met een vlammetje zo fijn,
Ze wilden op het Kerstfeest graag goede lichtjes zijn!

Waardering: 6.7 met 33 uitgebrachte stemmen
Dit gedicht is ingezonden door Krista

Printbare versie
Dit gedicht verzenden naar een vriend(in)

Volgende gedicht: In december, elk jaar
Vorige gedicht: Ho, ho, ho

 
© 2006 - 2020 Jan Hengeveld.